Zonneoog

De zon geldt als het rechteroog van de hemelgod, welke met zijn ogenpaar de wereld verlicht (zie hemel). Zij is dus evenals de maan (zie maanoog) een oog van Horus. Hem worden daarom zonneoog als maanoog als offer aangereikt (Morgan, Ombos I. Nr. 447, 488; zie ook Chenti-irti). Deze eenvoudige verklaring van het gesternte wordt vroeg daardoor gecompliceerd, omdat zich met de toekering van het geloof tot Re deze ook in de ogenmythen schuift. Evenals van Horus, zo kunnen zon en maan nu ook als ogen van Re worden aangesproken (Roeder, Rel. Urk. 223). In de regel wijst men weliswaar Re slechts de zon, welke hij ja in de kern zelf is, toe. Deze wordt daarmee tot “Oog van Re”.
Men betrekt deze term op het hemellichaam. Men spreekt dus ongeveer van de “Oog van Re, dat in de nacht ontvangen en dagelijks opnieuw geboren wordt” (Pir. 698; Urk. V. 37); maar men verklaart het toch tegelijk ook als een zelfstandig wezen, dat de tegenover de zonnegod zelfstandig staat, ja dat zich zelfs van hem afscheiden kan. Een dergelijke scheiding vormt het grondmotief van de mythen, welke zich om het zonneoog slingeren.
Zij spreken in de eerste plaats van een uitzending van het zonneoog door de zonnegod. Haar bedoeling kan van verschillend karakter zijn. Volgens een versie, welke reeds in een sarcofaagtekst is aangetoond, moest het oog door de kinderen van Atoem, Sjoe en Tefnoet, welke zich van hun vader verwijdert hadden, gezocht worden (CT II. 5; Roeder a.O. 108). Volgens een andere zou het vijanden van de zonnegod, waartoe ook het oproerige mensengeslacht telt, vernietigen (Sethe a.O.17; Roeder a.O. 142). In beide gevallen voert het zonneoog de opdracht uit. Het keert met Sjoe en Tefnoet terug en het doodt de vijanden.
Daarnaast staat een andere sage, volgens welke het oog ver van de zonnegod af blijft. Het is door woede tehen hem ontbrand en houdt zich daarom terug. Maar Re verlangt naar hem, en zo sust hij met hulp van Thot de verbittering van het oog. Verzoent keert deze terug. Deze sage spiegelt zich in de legende van Tefnoet, de wilde leeuwin, welke in de Lybische woestijn verblijft en op bevel van Re, welke in haar zijn dochter lief heeft en naar haar bescherming tegen zijn vijanden verlangt, door de kunsten van Sjoe en van Thot naar Egypte teruggebracht wordt (Junker, Hathor-Tefnoet). Daarnaast is er nog een populaire versie, die deze legende als raamvertelling voor dierfabels benut (Spiegelberg, Mythus vom Sonnenauge; zie ook Tefnoet).
Een verstrengeling van de beide sagen van de uitzending van het oog en zijn woede is in een vertelling aanwezig, die het zonneoog bij de terugkeer van zijn opdracht verbolgen laat worden, daar het zijn plaats door een ander oog ingenomen ziet, dat aan Re ondertussen was nagegroeid (Roeder a.O. 108; zie ook Dodenboek hoofdstuk 17 deel 17). Maar hier leidt de woede niet tot een verwijdering, veelmeer verzoent de god het zonneoog, doordat hij het als ureaus aan zijn voorhoofd plaatst.
Het ligt genoeg voor de hand, deze mythen uit kosmische voorvallen af te leiden. Inderdaad zal het tijdelijke verdwijnen van de zon achter wolken in de voorstelling van de uitzending van het zonneoog ter vernietiging van de zich in deze uitgebeelde zonnevijanden aangezet hebben, en evenzo zou zeker ook de schijnbare verschuiving van de zonnebaan ’s winters aanleiding tot de sage van de verwijdering van het zonneoog gegeven kunnen hebben (Spiegelberg, SPAW 1915, 877). Aan de andere kant mag niet over het hoofd gezien worden, dat de mythen van maanoog en van zonneoog in nauwe wisselrelatie staan. Zij raken en beïnvloeden elkaar. Dat brengt reeds de verwantschap van de thema’s met zich. De grootste invloed heeft daarbij zonder meer het maanoog uitgeoefend; want met de opvallende wisseling van zijn fasen nodigt het aanzienlijk sterker tot mythenvorming uit. Zo hebben wij met aanmerkelijke inwerkingen van de maanmythen op de sagen van het zonneoog te rekenen. In het bijzonder zullen de motieven van de verwijdering en het terughalen onder deze invloed zijn ontstaan olf toch op zijn minst zijn gevormd. Daarop duidt onder andere reeds het aandeel, dat Thot, de maangod, aan het opzoeken en het binnenhalen van het zonneoog had.
Ook in de combinaties, welke de ogen met andere goddelijke wezens aangaan, speelt de verstrengeling van de beide mythencomplexen door. Daar is in de eerste plaats de ureausslang. Zij is voorhoofdsversiering van Re en, zoals de zoeven genoemde mythe motiverend uiteenzet, zonneoog. Naast dit begrip gaat echter – en weliswaar ook voor de voorhoofdsslang van Re – de opvatting als Horusoog (Kees, Lesebuch Nr. 35) en verder als maanoog op, en juist deze zal de oorspronkelijke zijn (zie ureaus). Boven het koningsteken van de ureaus worden de ogen dan verder met de landssymbolen gelijkgesteld (pir. 823).
Ook goden worden in de kring van deze indificaties getrokken. Zo worden Sjoe en Tefnoet, wellicht in aanleuning aan een mythisch “kinderpaar van de koning van beneden-Egypte, dat aan zijn hoofd is” (pir. 804) vroeg tot ogenkinderen van Re (Kees, ÄZ 57, 109) en stellen dan als zodanig de verenigde kronen van boven- en beneden-Egypte voor (Erman, SPAW 1911, 44; Junker, Onurislegende 132). De plaats van het zonneoog valt daarbij aan Sjoe, die van het maanoog aan Tefnoet toe. Maar ook daarmee doorkruizen zich weer andere voorstellingen , welke met de tijd sterkere kracht bewezen. Tefnoet is dochter van Re. Als dochter van Re geldt echter ook zijn oog, dat ja van hem “uitgegaan” is. Zo vloeit Tefnoet met hem samen en wordt tot “oog van Re”.
Deze epitheton is weliswaar niet alleen aan haar eigen. Wij vinden het reeds in het Nieuwe Rijk bijna bij alle grote godinnen (Berl. Inschr. II. 84 {Nechbet}; 371/84 [Isis] ). Het verbindt zich daarbij meestal met bijwoorden als “Heerseres van de hemel”. De bedoeling is dus blijkbaar, de betreffende godinnen in de geest van de tijd met de zonnegod in verbinding te plaatsen. Bij gelegenheid doen zich toch nog bijzondere relaties voor. Dat geldt van Oeto, die als ureausslang inderdaad met de zonneoog samenkomt, en het geldt zeker ook voor Hathor, welke de latere tijd op bijzondere manier als zonneoog vereert. Zo draagt zij toch reeds volgens oud geloof in de zonneschijf het zonneoog als haar teken op haar horens (pir. 705).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *