Zonneheiligdom

De tempels van de zonnegod onderscheiden zich in historische tijd scherp van die van de andere goden.Terwijl bij deze de gedachte van een huis heerst, waarin de god zelf aanwezig is, hebben de zonneheiligdommen de vorm van een open hof, waarin in het midden zich het altaar en onder omstanden nog een cultussymbool verheft. Zij dragen derhalve het karakter van een cultusplaats. Zij voegen zich daarmee aan een in de oertijd algemeen verbreid type van het godshuis (zie tempel); maar zij dragen daarmee tegelijk het speciale karakter van de zonnegod in zich. Want deze laat zich niet in de benauwde gesloten ruimten vangen. Hij licht in zijn gesternte aan de hemel, en derhalve is de aanbidding daarop gericht en niets mag de blik naar hem afremmen. Het heeft daarom zijn innerlijke waarheid, als de zonneheiligdommen bij deze oude bouwtypes volharden.
In bijzonderheden is ook zij tot verschillende vormgevig in staat. Het beste is ons de vorm bekend, welke hem in het Oude Rijk de koningen van de 5de dynastie gaven. Het was gebruik van deze heersers, welke uit het hoogpriestelijke geslacht van On stamden, voor hun god Re-Harachte aanbiddingsplaatsen in de nabijheid van hun piramiden op te richten. De namen van zes van dergelijke zijn ons overgeleverd (Sethe, ÄZ 27, 111). Slechts van twee, die van Oeserkaf (Borchardt, Sahure I. 149) en die van Neuserre ( v.Bissing, D. Re-Heiligtum des Ne-woser-re), zijn ondertussen resten behouden, en deze zijn bij de laatste omvangrijk genoeg, om een aanzienlijk zekere reconstructie vorm te geven. Het ligt bij Aboe Goerab en is door Neuserre ter gelegenheid van zijn dertigjarenfeest in de plaats van een eenvoudig bakstenen bouwwerk, dat naar alle waarschijnlijkheid eveneens op de koning teruggaat in steen gesticht. Evenals bij de koninklijke dodentempels van die tijd leidt van in in het dal gelegen poortgebouw een oplopende weg naar het plateau, waar het in de door smalle gangen omrandde tempelhof uitmondt. Hierin ligt ongeveer centraal het grote offeraltaar. Daarachter verheft zich op een massieve onderbouw een geweldige obelisk. Naast deze mondt een gang uit, welke door het massief van de onderbouw omhoog leidt. Blijkbaar hebben derhalve hierop voor de obelisk over het altaar cultushandelingen plaats gevonden, vermoedelijk ’s morgens, als in de naar het Oosten gerichte hoofdas van de tempel de zon opkwam. Plaats van een cultus was beslist ook een schip, dat zich met machtige, uit bakstenen opgemetselde romp aan de zuidelijke buitenkant van de tempel verheft (zie ook Sethe, ÄZ 53, 54). Waarschijnlijk moet het de dagbark van de zonnegod voorstellen (zie zonneschip).
Als kernstuk van het geheel verheft zich op een eerste blik de obelisk eruit, welke het totale bouwwerk beheerst en bij een hoogte van ongeveer 60 m met zijn wellicht vergulde, waarschijnlijk echter niet met een zonneschijf gekroonde spits ( zo Sethe, Urgesch. § 223; Schäfer, OLZ. 32, 721) ver in het land lichtte. En toch is juist deze een bijkomstigheid, dat niet wezensmatig tot een zonneheiligdom behoort. Dat tonen schriftbeelden, die wel de onderbouw, niet echter de obelisk daarop weergeven. Op eerstgenoemde ligt derhalve duidelijk de nadruk. Het moet dientengevolge een aanwijzijng tot de zonnegod in zich sluiten. Het zal een copie van de kunstheuvel, van het “hoge zand” zijn, waarop het heiligdom van Re in On lag (Ricke, ÄZ 71, 111; zie ook oerheuvel) Nog een model, welke Seti I. ter herinnering aan zijn bouwwerkzaamheden in On stichte, schijnt met de tweevoudige trappenoprit, welke naar het tempelvoetstuk leidt, op deze heuvel te duiden (Gorringe, Obelisks pl. 32).
In het algemeen zullen zeker de koningen van de 5de dynastie bij de aanleg van hun zonneheiligdommen naar mogelijkheid tegen de tempel van Re in On aangeleund hebben. Weliswaar is daarmee voor deze kennis niet echt veel gewonnen. Want juist de delen, welke zich het sterkst uit de zonneheiligdom van Neuserre onderscheiden, zijn als eigen goed aan te merken. Dat geldt niet alleen voor de onderbouw en de obelisk, welke men in On niet nodig had, daar men hier in de eenvoudige benbensteen (zie Benben) een aanzienlijk heiligeres cultussymbool had., dat het binnenste heiligdom de nog door de zonneheiligdom van Amarna behouden naam “Huis van benben” toedroeg; het geldt ook voor het poortgebouw en de opgaande weg, welke duidelijk onder de invloed van de dodentempels staan. En hetzelfde zal zeker ook van de beeldversiering gelden, welke in hoofdzaak bij het dertigjarenfeest van de koning verblijft, maar in het stuk gang, dat in de onderbouw van de obelisk naar de overkant leidt, de zogenaamde wereldkamer, in afbeeldingen, welke het gedijen van de dieren-en plantenwereld in de wisseling van de jaargetijden schildert, getuigenis van de scheppingskracht van de zonnegod aflegt. Zo blijven voor het heiligdom van On slechts hof en altaar als grondelementen van het bouwwerk over. Dat het laatste inderdaad onder vrije hemel lag, stelt een bericht van het bezoek van de zonnetempel door Pianchi zeker, welke “op het hoge zand in On een Hekatombe (?) aanbood in het aangezicht van Re bij zijn opkomst” (Breasted, Anc. Rec. IV. § 870). Dat het daarnaast nog een versluitbare schrijn met het beeld van de zonnegod gaf, is zeker mogelijk (a.O. § 871; anders Sethe, ÄZ 53, 54).
De bouwresten zelf zijn te schaars, om nadere uitsluiting te geven. Van het oude heiligdom zijn uitsluitend onbeduidende delen van de ringwal voor ons behouden, welke de zandheuvel omsloot (Ricke a.O.). Hij werd later door een grotere ringmuur overlapt. Over de vorm, welke het naast andere tempels door haar omsloten heiligdom van Re in het Nieuwe Rijk had, kan ons misschien in iets een terreintekening informeren, welke zich op een inventaristafel van het latere Nieuwe Rijk bevindt (Ricke, ÄZ 71, 131).
Daar naar geleek het heiligdom van On indertijd in essentie op de tempel, welke Amenofis IV., welke ja alom aan de traditie van On aanknoopt, voor zijn zonnegod bouwde (zie Soleb, Tell el Amarna). Deze bestaan uit meest verscheidene, op elkaar volgende hoven, waarin in het midden een altaar staat (zie het plan van de grote tempel van Tell el Amarna JEA 20 pl. 16). De ingangen tot de hoven zijn met pylonen opgesmukt. In deze monumentale poortgebouwen evenals die in de reeks van de hoven en zo nu en dan ingeschakelde zuilenhallen volgt men blijkbaar de gebruikelijke tempelbouw van het Nieuwe Rijk; maar men wijkt toch daarom niet van het type van de open cultusplaats af.
In de denkbaar eenvoudigste vorm keert deze bij nevenheiligdommen terug, die men in tempels van het Nieuwe Rijk voor de zonnegod stichtte. Zij bestaan uitsluitend uit een sober hof met een altaar in het midden.Dergelijke zogenaamde zonnehoven zijn in de tempels van Karnak (Porter-Moss, Top. Bibl. II. 45, Altarroom), Der el bahri (Naville, Deir el Bahari I. pl. 1, 8), Koerna (Maspero, Annales 11, 145), Medinet Haboe (Porter-Moss a.O. 187, Court XXX) en Aboe Simbel (Maspero, Temples immergés de Nubie, Rapports 146 pl. 155 ff; ÄZ 48, 91) ingebouwd. De laatsgenoemde heeft voor ons zijn totale cultusinventaris bewaard. Twee obelisken flankeren het altaar. Op haar hoeken staan figuren van biddende bavianen, zoals deze reeds op het altaar van Koerna als reliefversiering aangebracht zijn. Een verdere sokkel droeg een naos met rondplastiek van een scarabee en een aap. Men heeft hier dus ook de maan als tegenbeeld van de zon vereerd.
Zelfs in het verre Meroe heeft men nog in de 6de eeuw een zonneheiligdom gesticht (Garstang, Meroe pl. 28). Bij velerlei karakteristieke eigenschappen bewaard het in bijzonderheden toch het oude grondtype. Deze was juist te zeer in godsdienst en godsvoorstelling verankerd, alsdat men zich van haar los zou kunnen maken.

Zie oo12 blz: 13 artikel O.Mastenbroek “Egyptische zonneheiligdommen”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *