Zonde

Mensching heeft in een onderzoeking over “het idee van de zonde” als een wezenlijk kenmerk van de hoogreligie vastgesteld, dat zij de zonde als een “algemene situatie tegenover een transcendente (bovenzinnelijke)” beleven, dat wil zeggen dus als een totaal gebrek, waarin alle mensen verstrengeld zijn en die er is en gevoeld wordt, ook als ze niet in handelingen, die slechts alleen het karakter van symptonen dragen, openbaar wordt. Dit generale en essentieële zondebegrip staat tegenover die van de primitieve vroomheid als een concrete en actuele; want deze weet slechts van bepaalde zondige daden, kent zonden, maar niet de zondse. Het onderscheid laat zich begrijpen uit het destijds heersende karakter van het godenbeeld. Want het idee van de generale en essentieële zonde veronderstelt een ethische godsvoorstelling. Waar daarentegen de godheid als heerser naar aardse maatstaven begrepen wordt, daar kan ook de zonde slechts als vergrijp tegen haar wil, dat wil zeggen als actueel en concreet zichtbaar worden.
Daarmee is tegelijkertijd over het zondebegrip van de Egyptische religie beslist. Zij, wiens godsbeeld fundamenteel naar het menselijk heersersideaal gevormd is (zie god), moest in het concrete zondebesef gevangen blijven. Zonde is daarom altijd een bepaald handelen, dat zich tegen de goddelijke geboden richt. Deze geboden zijn niet in bepaalde stellingen gevat; zij zijn besloten in de eisen van de Maat, dat wil zeggen een handelen, dat beantwoord aan de verwerkeling van de juiste wil van de godheid. De omvang van de zonde is daarmee zeer ruim omschreven. Het omvat evenzo cultische misstappen als vergrijpen tegen de normen van het zedelijke leven. Het gaat niet op, op te tellen en zakelijk te rangschikken, wat in bijzonderheden als zonde geldt. Een dergelijke poging zou bovendien meer de stand van de moraal verduidelijken dan het karakter van het zondegevoel ophelderen. Want hiervoor is niet zo zeer de omvang van het zondebegrip beslissend, maar veelmeer zijn diepte, dat wil zeggen de ernst, waarmee men zonde als zonde onderscheid.
Nu spreekt de Egyptenaar genoegzaam van zonde; in het algemeen doet hij het echter dan slechts, om te verzekeren, dat hij ze niet begaan heeft, dat hij “vrij van zonden ” zou zijn. Zonder zonden dus waagt hij in aanspraak te nemen, een waagstuk, dat van het begin af aan slechts onder de heerschappij van het actuele zonde-idee gedacht kan worden, ook onder haar echter slechts mogelijk is, als men in de verklaring van het begrip zonde zeer ruimhartig optreedt en ze op grofste vergrijpen beperkt. Weliswaar mogen wij het gewicht van zulke uitingen ook niet overschatten. Want zij zijn in de regel in magisch gestemde teksten ingebed, dat wil zeggen in samenhangen, waarin volgens de praktijk van de magiër algemeen de bewering in de plaats van de werkelijkheid treedt. Vaak genoeg verheffen zich evenwel ook de meer biografische teksten van de gedenkstenen en graven over het pronken met goede daden zich tot een uitdrukkelikjke verzekering van “vrij van zonden”.. Zo blijft het wel daarbij, dat de Egyptenaar een sterk vertrouwen in de eigen voortreffelijkheid eigen was.
Dit vertrouwen wijst op een geringe ontwikkeling van het schuldgevoel. Zelfs de schuldbekentenissen doen het. Ook dergelijke zijn er, zij zijn weliswaar gering in getal en behoren bijna alle tot een nauwe samenhorende groep van gedenktekens uit het late Nieuwe Rijk (Erman, SPAW, 1911, 1086 ff). Het zijn kleine lieden, die uit hen uitspreken, en hun gebeden volgen ondanks alle persoonlijke klanken een voorbeeld. Door valse eed, ingrepen in het tempeleigendom en dergelijke hebben zij een godheid gekwetst, Daarop is een ziekte of ergens een benauwdheid over ze gekomen. Onder de nood ontwaakt hun geweten; zij voelen hierin gods straffende hand en hun zonde komt in herinnering. Ziuj brengen ze nu voor de god met een spijtig hart en hopen op zijn vergeving. Hier hebben wij zonde-bekentenissen, maar ook deze zullen wij niet al te hoog inschatten, wanneer wij naar de diepte van het schuldgevoel vragen. Want al degene, die daar spreken, werd het bewustzijn om hun zondige daad door een zware schikking gewekt, welke zij alleen verstandelijk met hun vergrijp in oorzakelijk samenhang brengen. Niet derhalve een geschrokken geweten spreekt uit deze bekentenissen, maar het gevoel, onder de gevolgen van een zonde te staan.
Het gevolg van de zonde is de goddelijke toorn en daarmee de straf, welke zich indertijd voltrekt of aan het einde van de dagen in het hiernamaals. Hoe zeer men daarmee rekende, dat iedere zonde op deze plaats nog haar straf zou vinden, toont de lange, bijna pietluttige opsomming van niet begane zonden in hoofdstujk 125 van het Dodenboek (Roeder, Rel. Urk. 275).
Weliswaar weet men ook van een opheffing van de zondestraf, ja van de zonde zelf. De geheimzinnige kracht van de reiniging, die de mensen van het “kwade dat aan hem is” bevrijt, neemt ook de zondestof van hem. Vooral worden vergrijpen tegen de cultische reinheid door de reiniging opgelost. Overigens was het vertrouwen hierin nauwelijks ongebroken. Zoals ieder magisch middel kan zij te kort schieten. Te vaak beleefde men ja, dat het zondegevolg , de straf, niet uitbleef. Zo kijkt men naar andere middelen om en vindt ze bij de beledigde godheid zelf. Die kan de zondestraf opheffen en de mens kan ook van zich uit proberen, ze zoals een aardse heerser door gaven tot inschikkelijkheid te stemmen (Erman a.O. 1095). Desondanks blijft de vergiffenis een vrijblijvend geschenk van de goddelijke genade. Op deze echter hoopt men en weer grondt men deze hoop op de gelijkenis met het aardse heersersschap. “Zo zoals een dienaar gewoon is, zo doen, zo is de Heer gewoon, genade te beoefenen. De Heerser van Thebe toornt niet de gehele dag; hij toornt slechts een ogenblik en er blijft niets hangen” (Roeder a.O. 53).
Steeds weer klinkt ons het vertrouwen in de zonde opheffende genade van de god tegemoet. “Straf aan mij niet mijn vele zonden. Ik ben er één welke zichzelf niet kent. Ik ben een dwaas mens. Overdag volg ik mijn mond zoals een os het kruid volgt, en op de avond ben ik er één, welke om Uw genade komt”(Erman, Lit. 379). Hier is niet alleen van zonde sprake, maar van een zondevastheid, dat wil zeggen een gebrek, dat de mensen steeds weer laat zondigen en alleen door de goddelijke genade beheerst kan worden. Dit gebrek grondt echter niet in een situatie, zoals zich het idee van de essentieële zonde veronderstelt, maar in de zwakte van de mens, een te weinig aan inzicht en kracht. Hij is slechts “een onwetende, die geen verstand heeft en niet weet, wat goed en wat kwaad is” (Roeder a.O. 57). De leer van Amenemope zet deze lijn voort, als zij de mens in verwijzing op zijn gebrek verweert, door te zeggen: “ik heb geen zonden” en het oordeel hierover in de handen van de god te leggen (Kees, Lesebuch 46). De vooruitgang van de zondebekentenis, welke in deze houding ligt, is onmiskenbaar. Hier breekt – zo mag men wel zeggen – een voorgevoel daarom door, dat alle concrete zondesymtooon een dieper liggende gesamenlijke nood is. Het is geen toeval, dat deze vooruitgang met de zich een weg banende ethiesering van de godsvoortstelling hand in hand gaat. men van een dieper liggende totaalgebrek is.Het is geen toeval, dat deze vooruitgang met de zich beginnende af te tekenen ethiesering van de godsvoorstelling hand in hand gaat. Een volledige doorbraak tot het zonde-idee van de hoogreligie bleef de Egyptische religie weliswaar desondanks ontzegd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *