Zalven

Zalven behoort voor de Egyptenaar sinds vanouds tot de noodzakelijke stukken van de lichaamsverzorging. In de rituelen, die de gedachten van een reiniging, hetzij van het godenbeeld of van de dode, ten grondslag ligt, ontbreekt daarom ook de zalving niet (zie offerliturgie, ritueel). Zinvol sluit zij zich met de aankleding aan de wassingen aan. Men gebruikt voor ze verschillende soorten van oliën; sinds het midden van het Oude Rijk zijn het daarvan zeven, soms zelfs negen. Zij allen hebben hun naam; in de offerlijsten zijn zij allemaal apart genoteerd; graag schrijft men ze ook naast schaaltjes, die men, op een bord verenigt, de dode als magisch onderpand voor het voortdurend bezit van deze zalven meegeeft. Hun veelvoud duidt de grondigheid van de zalvingen aan. Blijkbaar zou zeker het gehele lichaam gezalfd worden. De beste olie (h3t.t) was natuurlijk voor het hoofd resp. het voorhoofd (h3t) voorbehouden, waarbij de gelijkluidenheid van de woorden de Egyptenaar een welkomen aanleiding bood voor woordspelingen. Op de afbeeldingen (Bonnet, Atlas 78) is slechts die zalving van het voorhoofd afgebeeld en het zou kunnen zijn, dat men zich bij voltrekking van het ritueel daadwerkelijk hierop beperkte. In de dodencultus stelde zich het zalven in het algemeen bovendien slechts als een aanreiking van de zalven voor. Ook de godenbeelden worden niet alleen gezalfd; zij ontvangen ook zalven als offer. Want de Egyptenaar wil welriekende olie bij zich hebben; de dode wordt vrij vaak voorgesteld, als hij een olievaatje aan de neus leidt (Junker, ÄZ 63, Taf. 2, weitere Belege p. 55).
Deze samenhangen met de dagelijkse gewoonten worden evenals bij iedere cultische acte overwoekerd door de symbolische verklaring. Volgens aanwijzingen welke Thot zelf gegeven heeft, zijn de zalven onder het reciteren van heilige spreuken bereid (Boylan, Thot 96), daarom zijn zij vol met geheime krachten. Met hun verklaring knoopt men wederom aan de werkingen aan, die men in het alledaagse gebruik van de olie ervaart.
De olie heelt en verzacht wonden en schaden. Daarom stelt men het heilige olie, dat evenals elke offergave “Horusoog” is, met het “helen” van het oog van de god, het oedjatoog, in het gelijk (pir. 451) of men brengt het in relatie met de godin Oeto, die als de “Groene” groenen en gedijen laat en bovendien ja eveneens “oog” van de zonnegod is (Moret, Rituel 191). Eveneens in de betekenis van de ogensage worden de schades, welke de olie heelt, als werk van Seth begrepen. Daarom heet het van hem, dat “Seth onder hem wijkt” (Moret a.O. 193). Deze mythologische aankleding treedt terug, als men de schade op het oog heeft, waaronder de dode lijdt. Men ondervindt deze in zijn volle werkelijkheid. Het dode lijf is uiteengevallen, zijn leden zijn verlamd en losgeraakt. Daaraan bewijst daarom de olie zijn geneeskracht, doordat het “de leden verenigt, de beenderen verbindt, het vlees tesamenvoegt en alle boze uitstromingen (resp. ontbinding) ) wegneemt” (Pir. 1800 ff; Moret a.O. 76). Zo bewerkstelligt de zalving, de reiniging (zie ook libatie) en bewieroking tegelijk, het herstel van het lichaam en nieuw leven.
Dit leven heeft echter een bijzondere belofte. Olie glanst en geeft daarom glans. De gezalfde straalt; degene welke hem ontmoeten, zijn door de lichten, dat van zijn aangezicht uitgaat, verblind. De olie “geeft schrik voor hem in de ogen van alle geesten, die hem zien of zijn naam horen” (pir. 53, Moret 198). Daarmee opent het de weg tot heerschappij en macht. Deze gedachte treft wederom samen met de gelijkstelling van de zalf met het Horusoog; “welke aan het voorhoofd van Horus is”, is in ieder geval tegelijk kroon en voorhoofdslang (zie ureaus) van de god (Junker, Onurislegende 141). Zo stelt zich dan in de zalving de triomf en de heerschappij-aanvaarding van Horus voor. “Geb geeft je zijn aarde, je triomfeert over jouw vijanden, je grijpt de kroon voor de goden op aarde, Oepoeaut opent voor je de wegen tegen je tegenstanders” (Moret 193). Dit gebeuren herhaalt zich aan de gezalfden “kom, neem met haar (de zalf) de kroon volgens het bevel van Horus zelf” (Gardiner, Temple of Sethos II. Pl. 5, 15).
En waar de olie macht verstrekt, zo verschaft het ook welbehagen; want het ruikt en deze reuk is niet alleen voor de mensen aangenaam; het verheugt ook de goden; want het draagt de aangename geur van de zonnegod bij zich (pir. 1802, Moret 76; Gardiner a.O. Pl. 10). Men motiveert dat, doordat men de zalf, overeenkomstig aan de wierook en wellicht naar dat voorbeeld, als “uitstroming” uit Re begrijpt (Roeder, Rel. Urk. 298). Zo is zij dan een goddelijke emanatie (uitstroming); als zodanig laat zij dan tenslotte de geheime goddelijke krachten in het lichaam van de gezalfde overvloeien (Maspero, Pap. du Louvre 19).
Dat zijn de richtgedachten, welke zich in de zalvingsspreuken door elkaar slingeren. Hierop zijn in wezen ook de korte zinnen afgestemd, welke het aanreiken van de aparte oliesoorten begeleiden en met woordspelingen hun namen aanduiden. Voorbeelden zie Roeder a.O., Moret 192 f, Junker, Stundenwachen 40, 50, 58.
Ook buiten de cultus had de zalving haar betekenis. Ze begeleidde de installatie in een ambt (Spiegelberg, Rec. 28, 184). De vorm was verschillend..Of wel werd de beambte van de koning resp. een vertegenwoordiger van deze gezalfd (Griffith, Rylands Pap. III. 83) – zo gebeurde het ook bij de buitenlandse vazalvorsten (Knudtzon, Die El-Amarna-Tafeln I. P. 319) – of men vergenoegde zich, hem met het ambtsteken een zalfvaatje te overhandigen (Davies, Tomb of two officials pl. 26). Over de betekenis van deze ceremonie zegt onze overlevering niets; wij zijn daarom geheel op vermoedens aangewezen. Gaat men van de verklaringen uit, welke de zalving in de cultus onderging, zo belooft ten eerste de betekenis van olie als machtssymbool een verklaring. Elk ambt sluit wel een overwijzing van koningsrechten in zich. Het zou zinvol zijn zijn en zou doorgaans in de richting van de vertoonde symboliek kunnen liggen, als zich deze overwijzing voor de Egyptenaar juist onder het teken van de zalving voltrokken zou hebben. De olie, welke van de Horuskoning komt, overhandigt – zo zou dan de gedachten zijn – de gezalfde de macht, om die in de naam en als vertegenwoordiger van de koning uit te oefenen, of als hij door deze zelf benoemd is.
De zalving van de beambte zou dan evenzo gemotiveerd zijn, zoals wij het voor die van de koning zouden mogen veronderstellen. Ook hiervan worden wij niets gewaar; wij weten niet eens zeker, of de koning bij de kroning werkelijk gezalfd werd. Waarschijnlijk genoeg is het. De boven aangehaalde woorden van de heerschappij-aanvaarding van Horus zouden hun volle werkelijkheidsgehalte winnen, als zij bij de kroning van de koning weerklonken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *