Nefertem

In Memphis werd van oudsher een god Nefertem vereerd en mettertijd de lokale god Ptah en zijn gemalin Sachmet als zoon toegevoegd. De Grieken geven zijn naam, uit het Babylonisch in de vorm van Niptemoe verschijnt (Ranke, APAW 1910, aanhangsel 53), met Nephtemis (Mitteis-Wilcken, Chrest. I. 82,2), in samengestelde persoonsnamen met —– weer (bijv. Peteutemis). Het schijnt derhalve een nevenvorm te hebben gegeven, die ongeveer Efteme luidde. Waarschijnlijk mogen wij dan ook in de god Iphthimis, die op een Saïtische feestkalender genoemd en met Prometheus gelijkgesteld wordt (Grenfell-Hunt, Hibeh Pap. Nr. 27) Nefertem herkennen.
Nefertem werd in een lotusbloem vereerd, die tot in de late tijd, meestal met twee steil oprijzende veren versierd, als symbool van de god voorkomt (Naville,Tb. Taf. 92; Anna-les 10 191 pl. 2). Bij gelegenheid wordt ze de zuiver menselijk gevormde god als scepter gegeven (LD III. 174). In de regel draagt hij de bloem met verenpaar op het hoofd.
Als plant is Nefertem “uit het lijf van de veldgodin gegroeid” en wel in het land van het oosten (Kees, ÄZ 57, 99). Reeds daarin verheft zich een relatie tot de zonnegod. Zij kleedt zich vroeg in die vorm, dat de lotusbloem, waaraan Re volgens de gewoonte van voorname heren ruikt, juist Nefertem zal zijn. Zo is hij dan “de lotusbloem aan de neus van Re” (pir. 266). Net zoals hier verschijnt hij ook elders als schenker van aangename geur. De goden verheugen zich met de geur, die hij “gevuld met zalf” uitstroomt (Mariette, Aby-dos I. pl. 39b). Maar in eerste instantie behoort hij toch Re toe; bij hem is hij “alle dagen” (Sethe, Dramat. Texte 50). Men kan daarom zijn symbool in de zonnebark oprichten (Kees a.O. 117). Men vertelt zelfs van een tijd, waarin hij zich met Re in het wereldbewind indeelde en over de mensen heerste, terwijl deze over de goden heerste (pir. 483). Aan deze vertelling herinnert de dikwijls voorkomende titel “die de beide landen beschermt”.
De toebehorenheid tot Re verdiept zich tot een wezensgemeenschap. Zo was toch “de lotusbloem, die ’s nachts haar bloem sluit en onder water terugtrekt, om ’s morgens weer op te duiken” (Kees, Kulturgesch. 325), zelf een symbool van de opkomende zon. Op iets dergelijks waande men daarom de zonnegod uit de oerzee op te duiken (zie zon); ja men vierde hem rechtstreeks als “de grote lotusbloem, die uit Noen verschijnt” (Erman, ÄZ 38, 24). Zo vloeien beide goden tesamen. Het jonge, in de schijf tronende zonnekind is Nefertem (Brugsch, Thes. 57/8). Deze zelf wordt daarmee tot een oertijdse wereldgod, die zich als kind van Geb en Noet dat wil zeggen van hemel en aarde, die naar het oude volksgeloof de zon voortbrachten, “uit het oerwater vrijgemaakt” (Kees, ÄZ 57, 97). Licht brengende verdrijft hij de donkerte en de machten van de duisternis en bewijst zich daarmee als vijand van Seth, waarin beide zich belichamen. Zo glijdt zich zijn vorm in die van Horus over, waarop hij reeds als zonnekind lijkt. Reeds vroeg wordt daarom de veldgodin, waaruit hij groeide, als Isis begrepen (a.O. 103).
Sterker als de trekken van de Isiszoon blijven weliswaar de strijdlustige van de zegenrijke lichtgod. Dat zal met zijn relatie tot het Oosten dat betekent tegelijk het grensland samenhangen. In ieder geval zit hij evenals Seth zo ook de vreemden landen na, waarin een ieder voor hem terugwijkt (a.O. 97). Hij treedt daardoor in gemeenschap met andere oorlogszuchtige valkengoden zoals Month, Sopdoe, Hamerti en Hor-Hekenoe (Naville, Goshen pl. 2),. Bijzonder nauw is zijn verbinding met de laatste, met wie hij rechtstreeks onder de vorm Nefertem-Hor-Hekenoe versmolten wordt (Mariette a.O. pl. 38). Een klamp tussen beide vormt o.a. de leeuwengodin Bastet, die Hor-Hekenoe tebehoort en die bij gelegenheid in plaats van de met haar nagenoeg identieke Sachmet moeder van Nefertem wordt genoemd (Roeder, Rel. Urk. 244).
De afstamming van de leeuwengodin en nog meer de verbinding met Hor-Hekenoe brengt Nefertem verder in gemeenschap met de leeuw Miysis (Piankoff, Eg. Rel. I. 99). Zoals men deze met het hoofdsieraad van Nefertem afbeeldt, zo geeft men aan de andere kant Nefertem dikwijls een leeuwenkop (Mariette a.O. pl. 38; Nville a.o. pl. 2) of men laat hem op een liggende leeuw staan (Daressy, Stat. de divin. pl. 7; Morgensen, Glypt. Ny Carlsberg pl. 30). Veelvuldig schuift zich tussen de leeuwenkop en de bloem als verwijzing nog een valk (Mariette pl. 37/39; Naville pl. 3,6). Nefertem-Re-Harachte wordt dan bij gelegenheid deze mengvorm van Nefertem genoemd (Brugsch, Thes. 791).
Zo komen in Nefertem vriendelijke en gewelddadige trekken samen. Hij is een lichtend zonnekind en strenge leeuw, die de vijanden vernietigt. Op het laatst gaan beide samen. De brenger van het licht bestrijdt de machten van de duisternis. Zelfs zijn rol als schenker van de aangename geur voegt zich bij deze strekking in. Want zalf en olie maken in de symbolische verklaring van de cultus vruchtbaar en houden het kwade ver (zie zalf).
Ook tegenover de doden toont Nefertem zijn tweezijdigheid. Hij is hun in de eerste plaats wegbereider tot de hemel. In zijn gevolg, ja als Nefertem zelf hoopt de dode, die zich graag met hem identificeert, op te stijgen en bij Re te komen (pir. 264/6; Dodenboek hoofdstuk 81A, 174/15). Aan de andere kant is Nefertem als vergelder, “die de zondaren op zijn gerechtsplaats in de boeien slaat en de zielen verwondt” (Dodenboek hoofdstuk 17, 65). Dienovereenkomstig behoort hij tot de bijzittende van het hiernamaalsgericht (Dodenboek hoofdstuk 125).
Natuurlijk stelt ook de magiër de apotropaïsche (onheilafwerende) krachten van Nefertem in zijn dienst. Zo pleegt op de zogenaamde Horusstèles het embleem van de god zelden te ontbreken.
Sedert het Nieuwe Rijk wordt Nefertem dikwijls met het Horusoog op een hand afgebeeld (Mariette a.O. p. 37/8). Zeker niet toevallig geschiedt dit onder andere onder de titel “Heer van de spijzen”. Want in het Horusoog beelden zich de offergaven uit. Daaruit zal het te begrijpen zijn, als een lied op Nefertem als begeleidingshymne in een offerliturgie wordt ingevoegd (Kees, ÄZ 57, 92; Naville, Rev. de l’Eg. Anc. I. 31).

God. (Verschijning: Man met lotushoofdtooi; leeuwenkop; Belangrijkste cultuscentra: Memphis,Boeto; associatie(s)/rol: oerlotusbloem.

Eén gedachte over “Nefertem”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *