Zonneschijf (gevleugelde)

Een zonneschijf met een stel uitgespreide vleugels. Het oudst bekende voorbeeld stamt uit de 1ste dynastie. De zonneschijf is verbonden met Horus van Behdet (Edfoe) en symboliseert de zon, speciaal in de bouwkunst op plafonds, kroonlijsten en stèles. Navolgingen buiten Egypte kwamen veel voor.

Zwangerschapflessen

Eigenaardig naar lichaamsbouw gevormde vaatjes waarin uit Cyprus geïmporteerde moringa-olie bewaard werd. Het was bestemd voor het zalven van de zwangere. In
de bizarre typische gedaante vloeien meerdere voorstellingen in elkaar: het vruchtbaarheidssymbool van “Magna mater” (moedergodin, werd gezien als schenkster van alle leven), het dikke lichaam van de zwangere, het dwergachtige figuur van de Nubische voedster, en tenslotte het kortbenige postuur van de geboortegodin Thoëris, de kinderlijke Pateke (dwerggod) en dde slaapkamergod Bes.Een detail van de dracht onderstreept de beschermingsfunctie van dit firguurachtige vaatjes: op een wit geschilderde gordel is een soort tampon bevestigd, die de vrouw voor verlies van de levensvrucht beschermen en boze geesten het binnendringen in het moederlichaam beletten zal.

Zon

Zeer gevarieëerd zijn de voorstelling over de zon en haar loop. Deels wordt zij als oog van de hemelsheer begrepen (zie zonneoog), deels als een zelstandig wereldlichaam. Men stelt ze zich dan als een lensvormige schijf voor, die boven en beneden licht afgeplat, dus niet cirkelrond is en op zijn minst tijdens het Middenrijk het voorbeeld werd van de spiegelplaat. (Schäfer, ÄZ 68, 1).
De naam van de zon luidt Re, en zo heet ook de god, waarin zich de zon belichaamt. Weliswaar staan naast hem van het begin af aan andere zonnengoden, waarin ieder een bijzondere kijk van de zon tot uitbeelding brengt. De een ziet in haar een valk, welke aan de hemel zweeft of in een bark boven hen voorbijvaart. Deze zonnevalk versmelt met de grote valkengod Horus, welke in On de solaire bijzondere vorm van Harachte aanneemt. Daarnaast gaat, wel in aanleuning aan de voorstelling, welke in het hemelsdak een vleugelpaar zag (zie hemel), de gedachte uit, dat de door ureaussen omrande zonneschijf zelf een uitgespan-ne vleugelpaar zou dragen. Deze zogenaamde vleugelzon, het beeld van Behedti, werd tot één van de belangrijkste zonsymbolen, dat in het bijzonder de bovendeurdorpels evenals de ronding van gedenkstenen siert. Het beeld van van de vleugels vindt verder in de god Chepre vorm, welke als kever met uitgeslagen vleugels de zonneschijf voor zich uitschuift (Bonnet, Atlas 12, 20).
Al deze goden zijn wezenlijk met de zon en haar loop verbonden. Andere werden eerst secundair door verbindingen, die zij met Re aangingen, tot zonnegoden. Dat geldt in eerste instantie voor Atoem, de scheppergod van On, welke vroeg met Re versmolt. Er volgen dan de talrijke godheden welke in de loop van de tijd met Re geïdentificeerd werden zoals Amon-Re, Sobek-Re, Chnoem-Re en meer van dergelijke (zie godengeloof). Zo hebben uiteindelijk alle grote goden van het land het karakter van zonnegoden gewonnen. Maar het is hen toch slechts in zoverre te eigen, als zij als vormen van Re ondervonden worden, wiens naam en wiens symbool, de zonneschijf, ze als accesoirs dragen. Ook onder de mantel van deze verbindingen blijft daarom op het laatst toch altijd Re de eigenlijke zonnegod. Weliswaar wordt hij door ze met vreemde trekken overwoekerd. In het Nieuwe Rijk ontwaakt daarom van tijd tot tijd de drang, de aanbidding weer tot het gesternte zelf terug te leiden. Zo ontstaan de weliswaar slechts efemeer (kortstondige) vormen van Atoem en van Sjoe als directe belichamingen van de zonneschijf en van het zonnelicht.
Vrouwelijke godheden worden uitsluitend door identificatie met het zonneoog of als zonnemoeder aan de zon geschoven. Overeenkomende met het grammatische geslacht van haar woord wordt zij echter als mannelijk wezen ondervonden. Afzonderlijk heeft men ze weliswaar toch in een godin, Rait, belichaamd. Maar deze is toch een slechts meer theologische schepping en zo blijft zij in het geheel op de achtergrond.
Natuurlijk probeert men tot een compromis tussen de verschillende zonnegoden te geraken. Men vindt hen eens in syncretische formules. Tot verbindingen als Re-Harachte en Re-Atoem , welke reeds in de piramidenteksten voorkomen treden spoedig nog dieper grijpende zoals Re-Harachte-Atoem of Re-Atoem-Chepre-Harachte (Berl. Inschr. II. 135). Daarnaast onderneemt men, de verschillende gestalten op de stukken van de dagelijkse zonneloop te verdelen. “Chepre ’s morgens, Re op de middag, Atoem op de avond” (Lexa, Magie II. 47). Deze opdeling klinkt reeds in de piramidenteksten door (1694/5); zij voegt zich naar de naam Chepre “de wordende”, maar zij staat niet op zich. Ook de overeenkomst van de naam aan het werkwoord hpj “daarheen verdwijnen” wordt aangegrepen en laat Chepre onder omstanden ook als avondzon verschijnen (pir. 888; Mariette, Mon. div. pl. 46).
Later is men op deze weg van de opdeling nog verder gegaan, doordat men de zon in elk uur van haar dagelijkse loop een bijzondere vorm toewees. Wij bezitten lijsten, waarin deze vormen van de dagelijkse zon genoteerd zijn (Brugsch, Thes. 57; Daressy, Annales 17, 197). Zij behoren overwegend tot de Grieks-Romeinse tijd en sommen dan met onbelangrijke variaties voor de afzonderlijke uren de volgende vormen op:
1. Kind, staande of zittende;
2. Kind op een troon;
3. Griffioen of valk boven een lotusbloem;
4. Man met ramskop;
5. Man met valkenkop;
6. Ram met vier koppen;
7. Aap een pijl afschietende;
8. God met apen- of ramskop; ook ithyfallische man;
9. God met apen-, leeuwen- of menselijke kop;
10-12. God met mens- of ramshoofd, welke voor een
deel onder toenemende buiging van het boven-
lichaam, op een stok gesteund schrijdt.
Kanonische gelding heeft deze zetting bezwaarlijk bezeten. Niet alleen overeenkomstige lijsten van Griekse magische papyri (Hopfner, Arch. Orientalni 3, 142/3), maar ook de op-gaven welke wij uit oudere tijd bezitten, wijken sterk van haar af; weliswaar zijn zij onder elkaar ook zeer verschillend. Zo noemt een lijst van de 21ste dynastie (Daressy a.O. 206) de volgende vormen:
1.-3. Rams- of ramskoppige god;
4. Scarabee.
5. Menselijke dubbelgestalte met vier ramskoppen;
6. en 7. God met ramskop;
8. en 9. Scarabee met ramskop;
10. God met mensenhoofd over een horizonteken
hurkende;
11. Scarabee;
12. Atoem.
Hiertegenover toont een voorstelling in het graf van Ramses IX. (Guilmant, Tomb. de Ramses IX. pl. 89), welke in hoofdlijnen op een sarcofaag van de Natijd terugkeert (Printz, Altor. Symbolik Taf. 5), voor de eerste uren steeds een krokodil. Ook daarmee is de kring van zonvormen nog niet gesloten. Hieronder komen verder voor die van een kater, van een leeuw en van een sfinx (zie ook Harmachis).
Betreffende de laatste verbindingen is onder kat, leeuw en sfinx chreven. Bij de krokodillenvorm, welke natuurlijk door de met Re geïdentificeerde Soechos overgedragen is, speelt blijkbaar de reeds in piramidetekst 510 meeklinkende gedachte mee, dat de zonnegod als krokodil uit het hemelwater opdook. Zo komt het dan ook, dat zij juist in de eerste uren voorkomt. Niet echt zichtbaar is daarentegen, hoe de aap tot zonnedier werd. De pijl welke hij afschiet, duidt beslist op de zonnestralen, die graag met pijlen vergeleken worden. De ramgedaante werd de zon beslist niet eerst door Amon Re toegedragen; want de horens van de zonneram gelijken op die van het oudere schapenras (zie ram). Zo zullen wij naar zijn voorbeeld onder de oude ramsgodheden moeten zoeken, in het bijzonder, zoals Kees (Götterglaube 322) vermoedt, in Harsaphes, wiens stad Herakleopolis ja op de westoever lag. En aan de avonduren hecht de ramsgestalte in het bijzonder; voor de nachtzon werd zij rechtstreeks typerend. Van hieruit verklaart zich een geliefd zonnesymbool, dat in de ronding van de schijf een kever en de ramshoofdige zonnegod toont (Bonnet, Atlas 16/8). Het duidt op de zonnestanden van de morgen en avond, wellicht ook nog verder op de dag- en nachtzon. De vierkoppigheid is eveneens in oude ramscultussen voorbereid (zie Chnoem, Ram van Mendes); zij is ook op Amon overgegaan, die op de zogenaamde hoofdtablet, maar ook elders onder de naam Amon-Re-Harachte met vier ramskoppen afgebeeld wordt, zonder dat zich haar betekenis juist liet verklaren (LD III. 239).
Opmerkelijk is, dat de zonneloop met de door bijschriften als “kind” en “jongeling” gekenmerkte aanvangsformules en de meervoudig Atoem genoemde ouder wordende man aan het eind in het beeld van een mensenleven is ingeraamd. Het vergelijk is voor de Egyptenaar vertrouwd (Ed. Meyer, SPAW 1928, 504/6). De algemeen gebruikelijke voorstelling over het ontstaan van de zon lag het voor de hand. Want volgens oud geloof werd de zon dagelijks door de hemelsgodin (zie Noet) opnieuw geboren. Hij heeft zich taai staande gehouden; hij bleef ook levendig, als andere leren het verschijnen van de zon naar het begin verplaatste en ze als van zelf of in ieder geval met medewerking van de achtheid liet ontstaan en door haar paar Hoe en Hauhet begeleidt, bij het wereldbegin op een lotusbloem uit het oerwater Noen lieten opstijgen (Sethe, Amun § 96, 147).
Dienovereenkomstig kan de dagelijkse opgang van de zon als een dagelijkse nieuwgeboorte of in herhaling van de oertijdse gebeurtenis als een zich steeds herhalend opstijgen uit Noen begrepen worden. Tegelijk slingeren zich draden naar andere jeugdige goden. De opgang in de lotusbloem leidt het zonnekind met haar god Nefertem samen. Aan de andere kant laat het de gedachte van de geboorte door de hemelsgodin met de jonge Horus resp. Harpokrates versmelten, voor zover Hathor, de moeder van Horus, in de plaats van deze godin treden kan. Daarmee flitst tegelijk de voorstelling van de hemelskoe op en zo kan de jonge zonnegod zelfs als kalf ter wereld komen (Berl. Inschr. II. 400; zie ook pir. 1029). Weliswaar komt deze opvatting zelden aan het woord. Bezwaarlijk heeft zij daarom aanleiding tot de voorstelling van de zonnegod als stier gegeven, welke in de Griekse magische papyri in de lijst van zonnevormen voorkomt, maar toch ook de piramidenteksten vertrouwd schijnt te zijn (543/7). Zij zal op het beeldende gebruik van de term stier voor gebieder teruggaan (zo pir. 513) en de zon resp. de zonnegod als Heer van de Hemel beschrijven.
Eenvoudiger is de opgang in afbeeldingen gegeven, welke de zon door de zich openende hemelsdeur laat treden. Hierbij voegen zich andere, waarop de zon meestal in beeltenis haar schijf van geluk belovende symbolen, in het bijzonder de Djedzuil en de levensstrik, maar ook de oeasscepter omhoog verheven wordt. Graag begroeten zij daarbij Isis en Nephthys, biddend en helpend, en bij hen vergezellen zich als representanten van alle schepsels de zielen van Hierakonpolis en van Boeto, de bavogels van de overledenen, de mythische mensenklassen van de Rechit en Henememet en tenslotte de bavianen, welke naar wijd verbreid geloof voor de morgenzon “dansen en zingen” (Scharff, Sonnenlieder 41; zie aap), zoals het onder omstanden ook de struisvogels doen (Küntz, BJFAO 23, 85). Afbeeldingen van dit soort bevinden zich ongeveer tijdens de Ramessidentijd in dodenboeken en graven (Schäfer, ÄZ 71, 15 ff). Zij zouden de doden aan de nooit aflatende kringloop van de zon laten deelnemen. Daarom ontbreken hierin ook verwijzingen op de avondzon en de ondergang niet. Vele afbeeldingen vertoeven zeker ook alleen bij hen (Naville, Tb. 168A) of stellen ze op zijn minst op de voorgrond. Daar vaart bijvoorbeeld het zonneschip in de Westberg binnen of twee aan een mannelijke of vrouwelijke borst zittende armen strekken zich uit hem de zonneschijf resp. de zonnegod tegemoet (Schäfer a.O. 26/7, 30). Het zouden die van Noen of van Naunet kunnen zijn. Zo heet het toch in een lied, “je stijgt af in de armen van je moeder Naunet, je vader Noen ontvangt je” (a.O. 33).
Haar dagelijkse loop vermengt de zon volgens een voorstelling, welke de afbeeldingen als vlucht van een valk of kever sterk teruggedrongen heeft, met een bark, welke over de hemeloceaan glijdt (zie zonneschip). Goden, welke met de zonnegedaantes van uur tot uur wisselen en in de genoemde lijsten eveneens zijn genorteerd, omgeven de zon, aanbidden ze, leiden het stuur en zorgen voor de strijd uitgerust, voor een gelukkige reis. Want het ontbreekt niet aan weerstanden en storingen. Duisternis en wolken, welke zich in Apophis belichamen, bezorgen de zon werk. Ook verduisteringen, die men naar het schijnt met de maan in verbinding bracht, bedreigen haar (Sethe, ÄZ 57, 31).
De nachtelijke reis van de zon wordt door de oude, maar nog in het Nieuwe Rijk levendige mythe, welke Noet ’s avonds de zon laat verzwelgen, in het lichaam van de hemelsgodin verplaatst (zie Noet). Daarnaast schijnt de voorstelling bestanddelen te hebben, die de zon over de rug van Noet resp. achter het hemelsdak naar het oosten laat terugkeren (Piankoff, JEA 20, 57). Aanzienlijk belangrijker werd de gedachte, dat de zon ’s avonds de onderwereld zou binnengaan, en daarin in het oosten terug zou keren. In de piramidenteksten komt hij nauwelijks tot uitdrukking. Ook de door Kees (Totenglaube 96) naar voren gebrachte stelling is niet ondubbelzinnig. Desondanks is de voorstelling beslist oud; de piramidenteksten ontwijken ze in hun schroom voor de machten van de onderwereld alleen maar. Ongeveer tijdens het Middenrijk zet zij zich volledig door. Haar klassieke getuigenissen zijn Amdoeat en Poortenboek, welke de naar de twaalf uren van de nacht ingedeelde reis van de nu ramskoppig getekende god resp. zijn “vlees” schilderen. Voor de doden betekent dit ingaan van de zon in het rijk van de Dat haar opgang. Er zijn daarom zonsondergangsbeelden, waarop de in het hiernamaals van het Westgebergte, dus in de onderwereld schijnende zon door de doden begroet wordt (Schäfer a.O. 18).
Volgens verklaringen van Macrobius Sat. I 18, waarbij de mededeling van Plutarchus de Is. 65, dat de zonnegod aan de winterzonnewende geboren zou zijn, samengaat, zouden de Egyptenaren het vergelijk met het mensenleven ook op de jaarloop betrokken hebben. Brugsch (Thes. 406 ff) heeft zich dan ook ingespannen, het in de Egyptische overlevering aan te tonen; aber hij gaat daarbij vergissingen (Sethe, NGGW 1920, 52). In ieder geval kan de naam van de 12de maand de opgaaf van Plutarchus als bevestiging dienen. Deze luidt Mesore, dat wil zeggen, geboorte van Re. Het schijnt daar naar inderdaad de winterzonnewende te betekenen. Weliswaar komt het met de plaats van Mesore in de Egyptische kalender van het Nieuwe Rijk niet overeen; hij valt hier veelmeer met de zommerzonnewende samen. Maar daar zou een verschuiving achteraf in het spel kunnen zijn, welke zich op de gelijkmaking van een met de winterwende beginnend zonnejaar en het oude Siriusjaar liet verklaren (Sethe a.O. 37, 49). Zou dat juist zijn, zo zou men steeds weer met de waarschijnlijkheid mogen rekenen, dat de Egyptenaar ook de andere zonnestanden waargenomen en eveneens volgens het beeld van een mensenleven, dat wil zeggen bij de zomerwende als man, daar na als ouder wordende grijsaard afgebeeld zou hebben. Bewijsbaar is dat ondertussen niet.

Zonneschip

Dat de hemellichamen en in het bijzonder de zon in barken voorbijvaren, is oud geloof. Het komt tegemoet aan de voorstelling van de hemel als vloed en is zo sterk, dat men hem ook op de mythische afbeeldingen, welke de hemel als vrouw of koe uitbeelden, overdraagt en de hemelsbarken aan hun lijf langs laat trekken. Het zonneschip, wordt gelijk aan aardse boten, in verschillende vormen gedacht, vaak in recht primitieve, zo als een tweedelige uit rietbundels gevlochten vlot, zoals het nog heden de Nubiërs als provisorisch vaartuig dient (Breasted-Peet, JEA 4. 174, 225 pl. 54). Vroeg heeft zich echter een bepaalde voorstelling van zijn vorm doorgezet. Met hoog opgetrokken einden leunt zij tegen de vele voorhistorische schepen aan (Schäfer, Kunst d. a.O. 179, Jequier, Eg. Rel. 3, 24). Natuurlijk is het zonneschip versierd. Van de boeg hangt een ziermat af; valkenstandaarden, een terechtstellingsapparaat (zie Mafdet) en andere, in bijzonderheden niet zeker verklaarbare symbolen kronen het dek. Ook verder omkleedt het de fantasie met lichte schittering. De piramidenteksten (602, 1209) schilderen het als een schip van 770 el, dat goden bouwden en door goud straalt.
In het midden van het schip troont Re*, omgeven door de goden van zijn kring. Onder hen neemt Thot* als vizier van de goddelijhke hofstaat de eerste plaats in; ook personificaties*, waarin zich de schepper- en heerserkrachten van Re belichamen, zoals Maat, Sia* en Hoe*, spelen een bevoorrechte rol. Want het zonneschip is de plaats van het wereldbestuur.
Als haar bemanning worden graag de sterren genoemd; zij leiden de roeiers en of zijn op zijn minst “in het gevolg van Re aan de noordelijke resp. aan zuidelijke hemel”. In twee teams zijn zij dus verdeeld. Want ’s avonds wisselt de zonnegod het schip. In de nachtbark trekt hij, begeleidt door de “onvermoeibare”, dat wil zeggen door de sterren, die gelijk aan de zon op- en ondergaan, over de tegenhemel* naar het Oosten terug, om hier in de dagbark over te stappen en met de “onvergankelijken”, dat wil zeggen de circumpolairsterren, welke niet ondergaan, over de hemel te gaan. In hun uiterlijkl zijn de beide barken niet verschillend; maar zij hebben hun bijzondere toepasselijke namen. Manezet heet het schip van de dag, waarin de god ’s morgens ongedeerd uit het donker verschijnt; Mesektet dat van de nacht, waarin hij ’s avonds ondergaat.
De voorstelling van de beide zonneschepen is steeds levendig gebleven. Nog op stèles en sarcofagen van de Natijd wordt hun ontmoeting en de overgang van de god van de één op de andere graag afgebeeld (Prins, Altorien-tal. Symbolik Taf. 4/6, verdere citaten p. 28; Schäfer, KM 8, 151). Somtijds geschiedt het zo, dat zich de godinnen van het Oosten en het Westen van schip tot schip de zonneschijf aanreiken. Men heeft daarom aangenomen, dat de scheepswisseling daar plaats vindt, waar het Westen en Oosten elkaar raken, dat wil zeggen aan het hoogste punt van de hemel in het midden van de dagelijkse baan (Maspero Hist. I. 90; Schäfer, Weltgebäude d. alten Äg. 112; anders Sethe a.O.). Beslist ten onrechte; er zijn genoeg getuigenissen, welke vaststellen, dat zich aan de verdeling van het zonneschip van dag en nacht niets verandert heeft. Wel zijn echter mettertijd haar rollen verwisseld. Reeds in de 18de dynastie wordt de Mesektet als dagbark genoemd ( Mém. Miss. I. p. 25); nu kon Mesek-tet hier zoals in andere inscripties van het Nieuwe Rijk de later bewezen algemene betekenis “godenschip” hebben. Teksten van de Grieks-Romeinse tijd stellen haar ondertussen tegenover Manezet als schip van de ondergang (Möller, Pap. Rhind 89), terwijl ook somstijds nog in hen de oude aard van verdeling voorkomt (Roeder, Rel. Urk. 100). De gronden voor deze verwisseling zijn niet doorzichtig. Een aanzetpunt zou de gelijkstelling van de beide zonneschepen met de ogen van de hemelsheer gegeven kunnen hebben. Zij lag voor de Egyptenaar genoeg voor de hand en wordt reeds zeer vroeg voltrokken (Kees, ÄZ 57, 108). Daarbij werd, daar voor de Egyptenaar de rechter zijde de westelijke, de linker de oostelijke is, de bark van de ondergang tot rechtse, die van de opkomst tot linker oog. Daarmee echter kwam de laatstgenoemde in verbinding tot de nacht en tot de duisternis; want het linkeroog van de hemelsheer is ja de maan. Het kan zijn, dat daardoor de verwisseling van de beide zonneschepen veroorzaakt werd (Kees, Horus u. Seth I. 52 f).
Evenals met de ogen, zo worden de zonneschepen ook met de kinderen van Re, Sjoe en Tefnoet* gelijkgesteld. Beide waren nauw in de ogensage verstrengeld (zie zonneoog) en bezaten bovendien aan het zonneschip overeenkomstige barken (Kees a.O.). Zo waren vele aanknopingspunten gegeven; bij de uitvoering levert zich weliswaar ook hier vele niet sluitbare tegenspraken op.
Over de betekenis van beide zonneschepen als M a a t i zie Maat.
Copieën van de zonneschepen stonden in het allerheiligste van de tempel van On, het Huis van de Benben* (Breasted, Anc. Rec. IV. § 871), evenals in de naar dat voorbeeld gestichtte zonneheiligdommen*. De zonneschepen, welke Neferirkere in het door hem bij Aboesir* gestichtte wijde, bestonden uit koper en hadden een lengte van ieder acht el (Sethe, ÄZ 53, 53).
Een verdere copie van een zonneschip bevond zich buiten de tempel, parallel aan zijn zuidelijke muur aan de oosthoek (Sethe a.O. P. 54). Zij is uit bakstenen gemetseld en met de punt naar het Westen gericht. Sethe a.O. en Maspero (Causeries d’Eg. 331) willen in dit schip de avondbark herkennen. Hierin lande de God na zijn dagvaart, om zich in zijn tempel ter ruste te begeven. Andere (Foucart, Sphinx X. 199; Kees, Reheiligtum III. P. 53) verklaren het als ochtendschip en dit begrip voegt zich inderdaad beter naar het karakter van de cultus, welke overduidelijk op Re als de Heer van de opgaande zon gericht is.
Uiteindelijk zijn ook in resp. bij graven modellen van zonneschepen gevonden. Reeds bij de dodentempel van Cheops is aan iedere lange zijde ieder een smalle, langgestrekte groeve ontdekt, waarvan de vorm geen twijfel laat, dat hierin een schip ingebouwd was (Baedeker 134). Andere groeven van dit soort zijn bij één van de nevenpiramiden van Cheops (a.O. 135) evenals bij de dodentempel van Dedefre bij Aboe Roasch aangetoond (Mon. Piot 25, 57). Tijdens de afloop van het Oude Rijk duiken dan in de burgergraven naast de dodenschepen modellen van zonneschepen op. Zij zijn voor een deel eveneens naast het graf in het zand ingebed (Firth-Gunn, Teti pyramid cemeteries p. 33 pl.49; Bull. Metr. Mus. Suppl. 1915, 10 ff), deels echter ook mit de grafgiften in de sarcofaagkamer zelf ondergebracht (Annales 1, 32/7). Voor het Nieuwe Rijk is de gewoonte alleen nog door het zonneschip in het graf van Toetanchamon bewezen (Carter, Tutenchamun III. p. 77 Taf. 59).
De betekenis van deze modellen wordt door de dodenteksten genoegzaam verklaard. Hierin speelt de wens, bij Re te zijn en hem in zijn zonneschip te begeleiden, en niet altijd gelijke, maar toch nooit wegstervende rol. Het hiernamaalsleven van de koning, zoals het de piramidenteksten in haar solaire vorm tekenen, vindt in dit meevaren, dat tevens een deelhebben aan het wereldbestuur is, zijn laatste vervulling.
Met de democratisering van het hiernamaalsgeloof dringt het verlangen naar de reis in het zonneschip ook in het volk. Reeds de sarcofaagteksten bieden spreuken, welke haar verwerkeling dienen zouden, zoals in het bijzonder de “spreuk voor het varen in het grote schip van Re” (Lacau, Sarc. I. 189), welke dan, met vignetten versierd, in het Dodenboek werd opgenomen (Hoofdstuk 136 A). Andere spreuken zoals “Apophis* afweren bvan de bark van Re” (Lacau, TR 35) garanderen de zekerheid van de tocht. Het is geen vraag, dat de modellen van zonneschepen als magisch verzekeringsmiddel hetzelfde doel als die van de spreuken beogen.
Nog andere spreuken knopen zich aan de zonneschepen. Zij gelden als dragers van spijzen en offers, die ze uit de tempel van Re in Heliopolis brengen (Kees, Totenglauben 284, ÄZ 57, 119). Wellicht heeft zij haar verbinding in de ogensage tengevolge van de gebruikelijke gelijkschakeling van de offergaven met de Horusogen in deze plaats geschoven.

Zenenet

In Hermonthis werd een wel in het verder zuidelijk gelegen Rizagat (zie Krokodilopolis 2) inheemse godin Zenenet, “de verhevene” vereerd. Zij geldt als gezellin van de lokale god Month en werd in late tijd rechtstreeks met diens gemalin Ra.t-taoei versmolten (LD Text III. 120; Piehl, Inscr. hierogl. I. pl. 166). Voor het overige duidt veel op betrekkingen van de godin op een cultus van Sobek, in wiens gevolg de godin met de haar vaak verbonden Joenit aan het einde van de negenheid van Karnak verschijnt (LD III. 37b; 124c, 125).
Als hoofdsieraad draagt de godin een niet verklaarbaar teken, dat zeker een oude fetisj weergeeft en op een gespleten staaf met zich spiraalachtig inrollende einden gelijkt.